• Tinneke Huyghe

Projectontwikkelaars minder lang in onzekerheid tijdens vergunningsprocedures

De lange doorlooptijd van vergunningsprocedures, zeker bij een procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en de carrousel van beroepsprocedures zijn een doorn in het oog van zowel projectontwikkelaars als van politici. De Vlaamse Regering heeft daarom op 27 november 2020 een ontwerp van decreet goedgekeurd om de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen te optimaliseren en te komen tot een meer oplossingsgerichte rechtspraak. De eerste stap in de totstandkoming van het decreet is hiermee gezet.


Welke veranderingen zijn er op til?

1. Vergunninghouder wordt automatisch betrokken in de procedure

Wanneer een derde een procedure opstart tegen een vergunning of de aktename van een melding, heeft dit het grootste belang voor de vergunninghouder of de persoon die een melding heeft verricht. Zij lopen het risico dat hun vergunning of de aktename worden vernietigd, met alle gevolgen vandien. Toch moeten ze vandaag formeel vragen om tussen te komen in een procedure die een derde heeft opgestart. Deze tussenstap leidt ook tot vertraging in de procedure.


De vergunninghouder en de persoon die melding verricht heeft worden voortaan ‘van rechtswege’, automatisch dus, betrokken in de procedure. Er is dus geen formele vraag vooraf meer vereist. Zij worden samen met de vergunningverlenende overheid aangeschreven en krijgen samen een termijn om hun argumenten te laten gelden. Deze regeling is uiteraard niet van toepassing wanneer de vergunninghouder of de persoon die de melding heeft verricht zelf het beroep heeft ingesteld.

Omdat ze ‘gedwongen’ worden tussen te komen, worden de vergunninghouder en de persoon die een melding heeft verricht vrijgesteld van het rolrecht van 100 euro.


2. Strengere eisen voor het succesvol inroepen van middelen

Promotoren doen hun best om een robuuste vergunning te bekomen, waarin rekening wordt gehouden met de wettelijke normen en de wensen van de vergunningverlenende overheid. Toch worden vergunning soms vernietigd op basis van een middel dat geen enkele impact heeft op diegene die het inroept of een middel dat – al dan niet opzettelijk - voor het eerst wordt ingeroepen voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Om dit te vermijden worden de eisen voor het succesvol inroepen van middelen strenger en worden 3 situaties voorzien waarin een middel niet kan leiden tot de vernietiging van de vergunning of de aktename van de melding.

Ten eerste kan een schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel enkel succesvol worden ingeroepen door een partij die hierdoor belangenschade ondervindt, met andere woorden die wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. Zo zal een verzoeker zich niet kunnen beklagen over een gebrekkige aanplakking als hij desondanks regelmatig beroep heeft kunnen aantekenen.


Verder geldt een relativiteitseis, waardoor een dergelijke schending enkel succesvol kan worden opgeworpen wanneer de onwettigheid strekt tot bescherming van de belangen van de persoon die zich erop beroep. Enkel personen die veiligheidsrisico’s lopen door een windturbine zullen bijvoorbeeld een vernietiging van een vergunning kunnen bekomen omwille van een schending van de veiligheidsnormen.


Tenslotte wordt een attentieplicht ingevoerd. Dit brengt met zich mee dat een partij die heeft nagelaten een onwettigheid aan te voeren op het nuttige ogenblik tijdens de administratieve procedure, deze onwettigheid niet meer kan inroepen voor de Raad voor Vergunninsgbetwistingen. De Raad moet er wel over waken dat hierbij geen afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter, zoals vervat in artikel 13 Grondwet en artikel 6 EVRM.


3. Bemiddeling stimuleren, maar daarbij vertragingsmanoeuvres vermijden

Op dit moment moet de kamervoorzitter een tussenarrest vellen over een akkoord om de bemiddeling op te starten, een verlenging van de bemiddelingstermijnen of de stopzetting van de bemiddeling wanneer partijen niet tot een akkoord zijn gekomen. Omdat deze verplichting onnodige tijd in beslag neemt, zal dit voortaan kunnen met een proces-verbaal.

Omwille van de uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad en en de toenemende complexiteit van dossiers moet de bemiddelaar in de toekomst een grondige kennis hebben van en nuttige ervaring in het specifieke domein waarover de betwisting handelt.

Het wijzigingsdecreet verduidelijkt dat de proceduretermijn enkel worden geschorst bij een gezamenlijk ondertekend verzoek tot bemiddeling. Een partij kan dus geen eenzijdig verzoek tot bemiddeling meer indienen louter als vertragingsmanoeuvre.


4. Ruimere invulling van de substitutiebevoegdheid om beroepscarrousels te stoppen

De substitutiebevoegdheid geeft de Raad voor Vergunninsgbetwistingen de mogelijkheid om een vergunning rechtstreeks te vernietigen, zonder dat de vergunningverlener zich hierover nog kan uitspreken. Vandaag gebeurt dit enkel bij een zuiver gebonden bevoegdheid, wanneer de overheid geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft. Deze bevoegheid wordt ruimer ingevuld.


De Raad kan ook in de plaats treden van de vergunningverlenende overheid in situaties waarin de overheid aanvankelijk wel over een discretionaire bevoegdheid beschikte, maar deze bevoegdheid in de concrete omstandigheden redelijkerwijze gebonden blijkt te zijn omdat de beoordelingsmarge is opgebruikt. Dit zal door de kamervoorzitter steeds in de feiten moeten worden beoordeeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om gevallen waarbij de vergunningverlener er na een aantal vernietiging nog steeds niet in slaagt een gedegen motivering te voorzien. Deze mogelijkheid is interessant om carrousel-scenario’s te vermijden, waarbij vernietigingsarresten en herstelbeslissingen elkaar opvolgen zonder dat er een definitief oordeel wordt geveld.


5. Minder formaliteiten voor tussenkomende partijen

Net als de vergunninghouder en de persoon die de melding heeft bericht, zullen de andere tussenkomende partijen (bijvoorbeeld de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg) geen verzoek tot tussenkomst meer moeten indienen. Een schriftelijke uiteenzetting met daarin het verzoek om tussen te komen in de opgesomde vorderingen volstaat. Ook deze maatregel leidt tot een versnelling van de procedure, aangezien het indienen van het verzoek en de betekening van de beschikking niet langer nodig zijn.


6. Voorafgaandelijke betaling van het rolrecht door verzoekende en tussenkomende partijen

Net als in het kader van een administratief beroep zullen verzoekende en tussenkomende partijen het rolrecht betaald moeten hebben voor het indienen van hun verzoekschrift of schriftelijke uiteenzetting, zowel bij een vernietiging als bij een schorsing. Dit bespaart de tijd voor het versturen van de uitnodiging tot betaling van het rolrecht en de betalingstermijn, zodat de procedure sneller zal verlopen. Bij laattijdige betaling krijgt een partij nog een termijn van 8 dagen om de betaling uit te voeren. Indien dat niet gebeurt, is het beroep of de tussenkomst – behoudens overmacht – onontvankelijk.

In de memorie van toelichting bij het wijzigingsdecreet wordt verder verduidelijk dat het op basis van de bestaande regeling mogelijk is het rolrecht van de verzoekende partij ten laste wordt gelegd van de tussenkomende partij.


7. Ook rechtsplegingsvergoeding bij schorsinsgprocedures

In de toekomst zal een rechtsplegingsvergoeding kunnen worden toegekend aan de partij die in het gelijk wordt gesteld en niet langer aan de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld. Daardoor kan al in de uitspraak over de schorsingsprocedure een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend en een tweede in de vernietigingsprocedure. Wanneer tijdens de schorsingsprocedure nog geen uitspraak is gedaan over de rechtsplegingsvergoeding, kan die echter nog steeds in de vernietigingsprocedure worden gevraagd en toegekend .


Wat zijn de volgende stappen?

Vooraleer er sprake is van een echt decreet en deze aanpassingen ook effectief werkelijkheid worden, moeten er nog een aantal stappen genomen worden. De eerstvolgende stap is een advies van de Raad van State. Zij hebben het voorontwerp ontvangen en moeten binnen 30 dagen een advies uitbrengen. Nadien herwerken de ministers het voorontwerp van decreet tot een ontwerp van decreet, keuren ze het opnieuw goed en dienen het in bij het Vlaams Parlement. Vanaf dan start het parlementaire traject.


Bronnen

Besluit Vlaamse Regering van 27 november 2020 tot goedkeuring van voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges tot optimalisatie van de procedures, https://beslissingenvlaamseregering.vlaanderen.be/

Memorie van toelichting 27 november 2020 tot goedkeuring van voorontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges tot optimalisatie van de procedures, https://beslissingenvlaamseregering.vlaanderen.be/


Auteurs: Tinneke Huyghe en Caroline Van Esbroeck



106 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven